‘Ik was een kuil aan het graven in de woonkamer en goot daar olijfolie in.’
‘Ik liep door de stad en ontdekte plotseling dat ik geen broek aan had.’
Ik hou een dagboek bij. Of eigenlijk: een nachtboek. Onlangs las ik daar weer eens in. Ik leid een dubbelleven. Ik maak ’s nachts vaak meer mee dan overdag. Gevolg is dat ik ’s ochtends vaak doodmoe wakker word van al die nachtelijke avonturen. Soms blij en opgelucht dat het maar een droom was, soms lachend, soms met het schaamrood op de kaken. Ik kan ’s ochtends spierpijn hebben van de marathon die ik ’s nachts heb gelopen. Collega’s worden vaak getrakteerd op al die nachtelijke ontboezemingen. Vannacht sprong er een heel groot paard over de auto. Een paard met vleugels. En daarna kwam ik in een piratendorpje aan.
Ook droom ik vaak in vervolgverhalen. Dan pik ik de droom weer op waar ik de vorige nacht gebleven was. Ik heb ook wel eens voorspellende dromen. Over een vriend die een ongeluk zou krijgen en de dag erna met een gebroken arm in de mitella liep. En over een collega die een andere baan vond. Het was zó levensecht dat ik niet meer wist of het nou echt was gebeurd, of dat ik het had gedroomd. Ik vertelde het haar en ze reageerde met een lauw: “O?” De dag erna vertelde ze dat ze die bewuste dag het contract was gaan tekenen. Niemand wist dat ze aan het solliciteren was.
Ik heb maar geen illusies dat de lottogetallen ’s nachts nog eens langskomen. Ik droom lekker verder.