Ik dacht nog dat Oxford zo'n sjieke stad was. Je loopt nietsvermoedend door een niet al te brede straat en te laat merk je de volstrekt laveloze dronkenlap op die aan jouw kant van de stoep zit. Liefkozend houdt hij zijn fles vast met een gelukzalige glimlach op zijn gezicht. Ik deel vooralsnog niet in zijn blijheid want het is te laat om nu nog de straat, die steeds meer op een steeg gaat lijken, over te steken om te ontvluchten aan de dronkenmanstaal, die ik ongetwijfeld over me heen krijg.

En jawel, vanonder zijn baard beweegt iets, en er komt een onverstaanbaar gemummel op gang met onhandige, niet in toom te houden uithalen dat uitmondt in een "Ooooh, missy, you look lovely". En zo onverstaanbaar het begon, eindigt het ook. Inmiddels ben ik hem gepasseerd. "Thank you sir", zeg ik nog, en weet niet precies of ik nu wel of niet blij moet zijn met dit in volledige nevel geuite compliment. Maar in de wetenschap dat alleen kinderen en dronkenlappen de absolute waarheid spreken, loop ik getroost en met een glimlach de straat uit.