Jaren geleden stond ik te schuilen voor een regenbui. Het begon steeds harder te regenen en inmiddels had zich een groot aantal mensen verzameld onder het afdakje. De meeste mensen staarden wat voor zich uit, zich al dan niet verwonderend over het plotselinge natuurgeweld en de omslag van het weer op zo'n mooie dag. Er vormden zich al plassen en daarboven deed men er nog een schepje bovenop: het regende belletjes. Tien dagen regen. Ik dacht dat de lucht al begon open te trekken en het niet lang meer zou duren of de zon weer zou gaan schijnen. Niets bleek minder waar: het ging nog harder tekeer; het kwam met bakken naar beneden. Op dat moment zei een man naast me: "het regent altijd het hardst aan het eind van de bui." Nauwelijks vijf minuten later kwam de zon voorzichtig door en was het droog.

Het regent altijd het hardst aan het eind van de bui. Toen, op dat moment, legde ik de link alleen naar de geweldige regenbui en het weer dat zo plotseling was omgeslagen. Maar in de laatste jaren herken ik meer en meer om me heen dat dit ook geldt voor de persoonlijke regenbuien waar mensen soms in zitten. Aan het eind van de ellende komt vaak nog een extra dieptepunt, waarna de lucht opklaart en de zon weer kan gaan schijnen. Er is weer lucht en er is weer licht. De bui is voorbij.